Zijn: Ik was moe dus ben ik bij oma blijven slapen. We waren erg laat thuis.
Hebben: Ik had honger maar er was niets meer in de koelkast. Jullie hadden ook dorst.
Drinken: Ik dronk graag wijn. Zij dronken liever bier.
Eten: Piet at snel een sandwich. Zij aten spaghetti.
Kopen: ’s Zaterdags kocht papa de weekendkrant. We kochten voor de hele week fruit.
Schrijven: Lea schreef niet graag lange brieven. Zij schreven wel graag.
Zien: Mijn broer zag de auto aankomen maar mijn neven zagen die auto niet.
Nemen: Tante Els nam nog wat snoep mee. Daarna namen we samen de bus.
Brengen: Papa bracht ons een stripverhaal. Wij brachten onze boeken naar de bibliotheek..
Moeten: Je moest snel lopen, we moesten nog ver lopen en het was al laat.
Kunnen: Jan kon niet vrij nemen maar Isabel en Erik konden die dag wel vakantie nemen.
Gaan: Ging jij ook naar het Sint-Janscollege? Neen, maar daar gingen mijn broers wel naartoe.
Doen: Jij deed alle boeken in kartonnen dozen. Zij deden de kinderen naar school.
Weten: Ik wist helemaal niet waar ze over praatten, mijn zussen wisten dat wel.
Worden: Zondag werd opa 80 jaar oud. Het regende hard en we werden allemaal nat.
Zullen: Jan zou komen en Erik en Isabel zouden thuis blijven, maar het werd net omgekeerd.
Komen: Hij kwam zo goed als nooit te laat. Zijn collega’s kwamen ook altijd op tijd.
Zitten: Mijn zoon zat op de stoel mijn dochter en haar vriend zaten op de bank.
Kijken: Jij keek enkel ’s maandags TV maar je kinderen keken alle dagen TV.
Mogen: Tijdens de schoolvakantie mocht Jantje later opblijven maar dat mochten de tweelingen nog niet.
Laten: Na de storm liet mijn buur de schade opnemen. Anderen lieten dat ook doen.
Denken: Gelukkig dacht je eraan het raam te sluiten. We dachten dat de winkel open was.
Krijgen: Op moederdag kreeg mama bloemen. Bijna alle mama's kregen die dag bloemen.
Vinden: Ik vond mijn verloren sleutels snel maar zij vonden hun sleutels helemaal niet meer.
Vragen: Pieter vroeg de gids om meer uitleg. De toeristen vroegen ons de weg.
Lezen: Jantje las in zijn stripverhaal. Zijn ouders lazen elk een roman.
Blijven: Het bleef de hele dag te warm dus bleven we binnen.
|