Online basisgrammatica van het Nederlands 3


De essentie van onze Nederlandse spraakkunst voor hoogopgeleide anderstaligen (NT2):

de noodzakelijkste spraakkunst die je nodig hebt om vlot Standaard Nederlands te spreken.

Deze essentie van de  Nederlandse spraakkunst toont je onze grammatica. Zo zie je de structuur van het Nederlands.

Je moedertaal heb je ook niet door regels leren begrijpen en spreken. Daar heeft je nieuwsgierigheid en het natuurlijke functioneren van je brein voor gezorgd. Ons brein zoekt vanzelf naar structuren, dat is ťťn van zijn basisfuncties.

Zo leer je ook snel  en efficiŽnt Nederlands door luisteren, imiteren en zo snappen. Vertrouw gerust op die creatieve ontevredenheid van je hersenen. Zoals toen je je moedertaal leerde. Dat gaat het snelst. Richard helpt je daarbij.


Op deze pagina, essentie van de Nederlandse spraakkunst online 3 :

- wat betekent dat voorzetsel op het einde van een zin?

- wat betekent 'er'?

- wanneer gebruik je 'waar'?

- hoe vervoeg je de Onvoltooid Verleden Tijd (imperfectum)?

- wat kiezen perfectum of imperfect?

- heeft het Nederlands een 'continuing tense'?

- structuur Nederlandse zin.

- waar staan subject en werkwoord in een complexe zin?


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Hoe vervoeg je werkwoorden met een prefix?

 

Hoe gebruik je scheidbare werkwoorden in het nu?

Opstaan: Je staat om 7 uur op.

Aankleden: Om 5 over 7 kleedt hij zich aan.

Openmaken: Maak je het raam even open?

Voorstellen: We stellen je aan onze collega voor.

Uitleggen: Dat is niet zo moeilijk, ik leg je dat na het eten uit.

Meegaan:Jan en  Rita gaan met ons mee.

Oversteken: Aan de verkeerslichten steek je de straat over.

Opschrijven: Jan schrijft alles wat er gebeurt in zijn dagboek op.

Uitgaan: Om 22u gaat het licht automatisch uit.

Terugkomen: Mijn dochter komt om 2 uur van haar gitaarles terug.

 

Hoe gebruik je scheidbare werkwoorden voor wat voorbij is?

Opstaan: Ik ben om 7 uur opgestaan.

Aankleden: Hij heeft zich om 5 over 7 aangekleed.

Openmaken: Heb je het raam even opengemaakt?

Voorstellen: Ik heb je aan mijn collega voorgesteld.

Uitleggen: Dat was niet zo moeilijk, papa heeft me dat na het eten uitgelegd.

Meegaan: Jan en Rita zijn met ons meegegaan.

Oversteken: Aan de verkeerslichten ben ik de straat overgestoken.

Opschrijven: Jan heeft alles wat er gebeurt in zijn dagboek opgeschreven.

Uitgaan. Om 22u zijn de lichten automatisch uitgegaan.

Terugkomen: Mijn dochter is om 2 uur van haar gitaarles teruggekomen.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Wat betekent 'er'?

 

In de koelkast is geen bier. Daar is geen bier. Er is geen bier.

Op tafel is kaas. Daar is kaas. Er is kaas.

In dat huis is maar een kamer en het heeft geen tuin. Daar is maar een kamer en daar is geen tuin. Er is maar ťťn kamer en er is geen tuin.

Op die kamer is een douche. Daar, op die kamer, is een douche. Er is een douche op de kamer. Op de kamer is er een douche.

Zus werkt bij de Europese Commissie. Zij werkt daar al 20 jaar. Zij werkt er al 20 jaar.

Ik ben naar WalloniŽ verhuisd. Ik woon daar heel graag. Ik woon er heel graag.

Op de kamer zijn een douche en een wc. Daar zijn een douche en een WC. Er zijn een douche en een WC.

In BelgiŽ hebben ze wel 5 soorten Trappistbier. Daar hebben ze wel 5 soorten Trappistbier.   Er zijn wel 5 soorten Trappist.

In Hotel Greenpark zijn veel gasten deze week. Daar zijn veel gasten deze week. Er zijn veel hotelgasten deze week.

Op het congres zijn 3 conferenties. Daar zijn 3 conferenties. Er zijn 3 conferenties.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Wanneer gebruik je 'wie'? Wanneer gebruik je 'waar'?

 

Waar woont Jan? Jan woont in Brugge. Waar werkt zus? Zus werkt bij de Europese Commissie. Waar zijn die 3 conferenties? Op het congres. Wie woont in Brugge? Jan woont in Brugge. Die woont daar graag.


Op wie wacht Karel? Karel wacht op zijn broer en zus.

Van wie houdt Jan zielsveel? Jan houdt zielsveel van zijn vrouw.

Over wie praat je vaak? Ik praat vaak over mijn opa.

Naar wie luistert ze graag? Zij luistert graag naar boeiende mensen. 

Met wie spelen ze vaak? Onze kinderen spelen vaak met de buurjongen. 

Aan wie geef je die cheque? Aan mijn petekind.

Waarop wacht Karel? Karel wacht op de bus. Ho, daarop.

Waarvan houdt Jan erg veel? Jan houdt heel erg van kaas.  Zo, daarvan.

Waarover praat je vaak? Ik praat vaak over het klimaat. Daarover?

Waarnaar luistert ze graag? Zij luistert graag naar de radio. Daarnaar.

Waarmee spelen ze vaak? Met hun computer, daarmee spelen ze het liefst.

Waaraan besteed je dat geld? Aan een leuke kampeertocht. Daaraan.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Dingen die voorbij zijn. Hoe zeg je dat in het imperfectum?

 

Werken = werk* + en  >  werk + te(n) 

Schaatsen = schaats* + en > schaats + te(n)

Wachten = wacht* + en >   wacht + te(n)

* de laatste letter van de stam is een scherpe consonant cfr: 't k o f s ch i p

Wandelen = wandel +en  >   wandel + de(n)


Jan werkte hard en ook zijn broers en zussen werkten hard.        

Vroeger schaatste ik vaak. Schaatsten jullie ook vaak?

Beloven: Mijn beste vriendin beloofde me een weekendje Praag. 

Reizen: Daar reisde ik graag naartoe.

We wandelden tijdens de vakantie veel in de bergen. Mama wandelde niet altijd mee.

Maken: Gisteren maakte mijn man het eten.

Duren: Het koken duurde lang maar het smaakte uitstekend.

Wachten: We wachtten in de regen op de bus. Wachtte je ook in de regen of was er een bushokje?


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Imperfectum (onvoltooid verleden tijd) van de meest frequente onregelmatige werkwoorden:

 

Zijn: Ik was moe dus ben ik bij oma blijven slapen. We waren erg laat thuis.

Hebben: Ik had honger maar er was niets meer in de koelkast. Jullie hadden ook dorst.

Drinken: Ik dronk graag wijn. Zij dronken liever bier.

Eten: Piet at snel een sandwich. Zij aten spaghetti.

Kopen: ’s Zaterdags kocht papa de weekendkrant. We kochten voor de hele week fruit.

Schrijven: Lea schreef niet graag lange brieven. Zij schreven wel graag.

Zien: Mijn broer zag de auto aankomen maar mijn neven zagen die auto niet.

Nemen: Tante Els nam nog wat snoep mee. Daarna namen we samen de bus.

Brengen: Papa bracht ons een stripverhaal. Wij brachten onze boeken naar de bibliotheek..

Moeten: Je moest snel lopen, we moesten nog ver lopen en het was al laat.

Kunnen: Jan kon niet vrij nemen maar Isabel en Erik konden die dag wel vakantie nemen.

Gaan: Ging jij ook naar het Sint-Janscollege? Neen, maar daar gingen mijn broers wel naartoe.

Doen: Jij deed alle boeken in kartonnen dozen. Zij deden de kinderen naar school.

Weten: Ik wist helemaal niet waar ze over praatten, mijn zussen wisten dat wel.

Worden: Zondag werd opa 80 jaar oud. Het regende hard en we werden allemaal nat.

Zullen: Jan zou komen en Erik en Isabel zouden thuis blijven, maar het werd net omgekeerd.

Komen: Hij kwam zo goed als nooit te laat. Zijn collega’s kwamen ook altijd op tijd.

Zitten: Mijn zoon zat op de stoel mijn dochter en haar vriend zaten op de bank.

Kijken: Jij keek enkel ’s maandags TV maar je kinderen keken alle dagen TV.

Mogen: Tijdens de schoolvakantie mocht Jantje later opblijven maar dat mochten de tweelingen nog niet.

Laten: Na de storm liet mijn buur de schade opnemen. Anderen lieten dat ook doen.

Denken: Gelukkig dacht je eraan het raam te sluiten. We dachten dat de winkel open was.

Krijgen: Op moederdag kreeg mama bloemen. Bijna alle mama's kregen die dag bloemen. 

Vinden: Ik vond mijn verloren sleutels snel maar zij vonden hun sleutels helemaal niet meer.

Vragen: Pieter vroeg de gids om meer uitleg. De toeristen vroegen ons de weg.

Lezen: Jantje las in zijn stripverhaal. Zijn ouders lazen elk een roman.

Blijven: Het bleef de hele dag te warm dus bleven we binnen.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Wat verkies je? Perfect of imperfect?

Haar man is elke dag thuis gekomen.

Hij heeft de hond geaaid en hij heeft zijn vrouw gekust.

Hij heeft zich in de zetel gezet en heeft een biertje en chips gevraagd.

Na 2 jaar zijn ze gescheiden.

Haar man kwam elke dag thuis.

Hij aaide de hond en kuste zijn vrouw.

Hij zette zich in de zetel en vroeg een biertje en chips.

Na 2 jaar scheidden ze.



Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Door welk persoonlijk voornaamwoord kan je het subject vervangen?

Jan is een man, hij gaat naar zijn werk.

Klara is een vrouw, zij gaat naar haar werk.

Jan en Klara zijn meer dan een persoon, ze gaan naar hun werk.

De koffiekan staat op tafel, hij staat op tafel.

Het kopje staat op tafel, het staat op tafel.

De lepeltjes liggen in de lade, ze liggen in de lade.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Door welk persoonlijk voornaamwoord kan je het object vervangen?

Ik zoek mijn man, heb je hem gezien?

Ik zoek mijn vrouw, heb je haar gezien?

Ik zoek mijn zusjes, heb je ze gezien?

Ik zoek mijn zusjes, heb je hen gezien?

Ik zoek de koffiekan, heb je hem gezien?

Ik zoek het lepeltje, heb je het gezien?

Ik zoek de kopjes, weet je waar ze staan?


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

'continuing tense’ In het Nederlands.

Wat ben je aan het doen? Ik ben met mijn vriendin aan het telefoneren.

Wat is oma aan het doen? Ze is een taart aan het bakken.

Wat zijn de tweelingen aan het doen? Ze zijn televisie aan het kijken?

Wat zijn we aan het doen? We zijn hun probleem aan het oplossen.

Wat zijn jullie aan het doen? We zijn met onze Duitse vrienden aan het chatten.

Wat zijn de kinderen aan het doen? Ze zijn een zandkasteel aan het bouwen.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Nevengeschikte zin: waar staan subject en werkwoord?

De zon schijnt. Het regent.  >>  De zon schijnt en het regent.

Jan speelt op zijn computer. Mieke leest een boek.  >>  Jan speelt op zijn computer en Mieke leest een boek.

Ik hou vooral van vis. Ik eet ook graag rund.  >>  Ik hou vooral van vis maar ik eet ook graag rund.

We nemen het vliegtuig. We gaan met de trein.  >>  We nemen het vliegtuig of we gaan met de trein.

Wil je een biertje? Heb je liever een glas wijn?  >>   Wil je een biertje of heb je liever een glas wijn?


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Ondergeschikte zin of bijzin:

Ik neem een paraplu mee. het regent. 

>>  Ik neem een paraplu mee want het regent al de hele middag.

>>  Ik neem een paraplu mee omdat het al de hele middag regent.


Mijn papa was je oom. Jij bent mijn nicht.  

>>  Mijn papa was je oom dus jij bent mijn nicht.

>> Als mijn papa je oom was, ben jij mijn nicht.


Nederlands leren in 1 week? Ja,dat kan!

Meer ondergeschikte zin of bijzin, waar staat het subject? Waar staat het werkwoord? 

Ik neem vandaag liever de auto omdat men bij de NMBS staakt.

Ik kom pas later naar huis omdat ik dit verslag nog wil afwerken.

De weerman zegt dat het weer morgen nat wordt.

We bezoeken oma overmorgen, als het weer droger wordt.

Ze hebben al veel familie en vrienden op bezoek gehad sinds ze in Budapest wonen.

Hij blijft het leven positief zien hoewel hij net een faillissement achter de rug heeft.

Ik werk wat sneller zodat ik vroeg met mijn werk klaar ben.


Indirecte vragen:

Ik vraag me af of het weer deze week wel beter wordt.

Ik zou graag weten wanneer je volgende zomer vakantie wil nemen.

Karel vraagt hoe je dat computerprobleem snel kan oplossen.

Mama zoekt waar ze haar handtast is vergeten.

Onze zoon vraagt wie de broer van zijn overgrootvader was.

Op vakantie wilde ze graag weten hoeveel die juwelen in ItaliŽ goedkoper waren.

De baas vraagt hoe vaak je volgende week later kan blijven.



Je hoogopgeleide baas, collega, vriend of partner, of jij zelf, leert in 1 intensieve cursusweek Nederlands of 3 weekends met volledige onderdompeling in het Nederlands en intensieve persoonlijke begeleiding evenveel Nederlands als tijdens 1 jaar avondcursus of groepsonderwijs.

2 Niveaus verder volgens het Europese referentiekader taalvaardigheid kan bij ons in ťťn week intensieve privťcursus Nederlands.


Persoonlijk aangepaste privť lessen. Volledige onderdompeling in het Nederlands.  Nadruk op gesproken Nederlands begrijpen en vlot Nederlands leren spreken. Boeiende gespreksthema's die jezelf en je situatie betreffen zijn noodzakelijke ingrediŽnten voor een efficiŽnte intensieve privťcursus  Nederlands op maat die boeit en motiveert.

Dan wil je je ervaring, mening, opinie, meedelen, je vragen stellen, je ideeŽn uitwisselen.


Als je in het Nederlands wil communiceren over wat je aanspreekt, boeit en bezig houdt, wil je zo snel mogelijk Nederlands leren.

Vocabulaire, correcte uitspraak en zinsconstructie gaan er dan vanzelf in.

Ze zijn geen doel meer maar middel tot uitwisseling, gesprek, dialoog, elkaar leren kennen en van ideeŽn wisselen.

Je krijgt intensieve persoonlijke themagecentreerde begeleiding, je tempo wordt gerespecteerd, gespreksthema's zijn jouw thema's.

Tijdens zo'n intensieve privť-cursus Nederlands leer je van in het begin in het Nederlands denken, Zonder die tijdrovende omweg over vertaling waardoor je nog maar halfweg bent als je gesprekspartner zijn zin al af heeft.

En, tijdens pauzes, middag- en avondmaal is er extra gelegenheid tot ongedwongen conversatie in het Nederlands met je privť leraar en boeiende mensen uit het plaatselijk sociocultureel milieu.

Je leert niet alleen Nederlands, je leert de Nederlandstalige mentaliteit kennen van binnen uit, door natuurlijke ongedwongen gesprekken over mensen en de samenleving in Vlaanderen en Nederland, over onze gewoonten, waarden en thema's, wat ons nauw aan het hart ligt, hoe we zijn.


Tijdens zo'n intensieve privť-week Nederlands leert je baas, collega, vriend of partner niet alleen Nederlands, hij of zij leert ook onze sociale grammatica: gebruiken, gewoonten en omgangsregels.